Lesvoorbereidingsformulier Beeldend
1 onderwijs doel
Betekenis
Een kunstenaar maakt een werk met een bepaald doel voor ogen, bijvoorbeeld het overbrengen van een tafereel of een emotie. De kijker kan dingen zien zoals ze bedoeld zijn of er een hele andere interpretatie aan over houden. Op de eerste, morfologische blik kijk je naar wat je ziet, de kleuren, compositie en welke gevoelens dit teweeg brengt. Daarna kijk je naar wat het voorstelt, wat is het dat je ziet, wat beeld het uit? Wat zou het kunnen betekenen? Als laatste stap probeer je vanuit het oogpunt van de kunstenaar te kijken, wat heeft hij of zij met het werk bedoeld? Welke diepere, onderliggende betekenis heeft hij of zij over willen brengen?
Een beeld kan heel verschillend zijn. Als het realistisch is, is het waarheidsgetrouw. Bij het surrealisme is het juist precies andersom, het is helemaal verzonnen. Bij een abstract werk word er naar iets onaantastbaarst verwezen, het gaat meer om een idee of begrip. Een concreet beeld lijkt hierop, het beeld is wat het is maar verwijst niet direct naar iets. Bij iets non figuratiefs is er niets herkenbaars uit de wereld aanwezig. Een impressionistisch werk is gebaseerd op de werkelijkheid, maar de kunstenaar vormt het naar zijn of haar eigen ideeën. Het expressionisme lijkt op het impressionisme maar is veel meer op emotie geuit, en kan dus ook weinig op de realiteit lijken.
Vorm
De vorm is de verzameling van visuele aspecten die een beeld tot geheel maken. Bij vorm kijk je naar: vorm, kleur, ruimte, textuur en compositie.
Bij kleur kijk je naar de verschillende gebruikte kleuren. Bij ruimte naar hoe het werk is opgebouwd, waar ligt de horizon in een werk met een landschap, is het werk beeld omvattend? Textuur kan je zien of werkelijk voelen bij een een driedimensionaal werk. Bij de compositie kijk je naar de plaatsing van dingen in het beeld, staat het onderwerp is het midden of juist niet?
Materiaal/techniek
Materie zegt iets over de materialen die zijn gebruikt, verf, potlood, schildersdoek of bijvoorbeeld metaal. Verschillende materialen hebben hele andere eigenschappen en er moet ook anders mee te werk worden gegaan. Kinderen kunnen op het strand honderd verschillende dingen met zand en water doen. Materiaal kan volgend of dwingend zijn, aquarel verf loopt uit en is niet geheel bedwingbaar. Een beeldhouwwerk kan alleen worden gemaakt door er delen vanaf te halen, bij een schilderwerk komt er juist steeds meer bij. Al doende leert men met verschillende materialen en technieken te werken en er beter in te worden.
Beschouwing
Voordat een kunstenaar aan zijn werk begint denkt hij of zij eerst goed na. Hoe wil ik het werk vormen en betekenis geven? De kunstenaar zoekt naar voorbeelden die hem of haar inspiratie kunnen geven. De beschouwing kan van te voren plaatsvinden, maar ook tijdens het werken.
Werkwijze
Onder de werkwijze worden alle stappen die in het proces worden genomen bedoeld. Het hanteren met materiaal met verschillende soorten gereedschap. Je kan bestaande technieken toepassen of zelf iets verzinnen. De motoriek is van groot belang en word tijdens het werken ook beïnvloed.
Onderzoek
Tijdens het werken aan een beeld maak je constant keuzes over hoe je verder wil gaan. Deze bewuste keuzes maken jouw onderzoek. Zelfs het mengen van kleuren tot de juiste kleur hoort hierbij. je probeert verschillende technieken uit met verschillende materialen.
2 lesopbouw
Voorbereiding
Betekenis: iedereen moet wel eens ergens op wachten. Vorm: keuze uit diverse houdingen. Materie: spatel, klei en mes zijn voor de leeftijdscategorie van toepassing. Beschouwing: Het stimuleren van het denken over div houdingen en het laten zien van afbeeldingen ter inspiratie. Onderzoek: Het voor laten doen van div houdingen. Werkwijze: Het uitleggen en laten zien hoe de materialen te gebruiken en de keuze uit 2 technieken. Reflectie: Het vragen van gerichte vragen over de werkwijze en de uiteindelijke beelden.
Oriëntatie
Introductie
Hallo allemaal, vandaag gaan wij met klei iets maken. Wie heeft dat wel eens gedaan en wat heb je toen gemaakt? Weten jullie ook met wat voor soort klei je toen hebt gewerkt? Op welke manier deed je dat toen? Als de leerlingen weer rustig zijn vraag ik ze " wie van jullie heeft wel eens ergens op moeten wachten, steek je vingers maar op?" Waar wachtte je toen op? ik wijs een aantal kinderen om de beurt aan om antwoord te geven.vervolgens vraag ik "in welke houding wacht je het liefste?" als je iets weet mag je het om de beurt voor doen. Als de meeste leerlingen hun houding hebben laten zien gaat iedereen weer op de stoel zitten. " Zoals ik al zei gaan we met klei werken, we gaan onze eigen wachtende houding uitbeelden!
Informatie
De kleisoort waar we mee gaan werken is grove chamotteklei. Deze klei moet je af en toe een beetje nat maken omdat de klei uitdroogt en hard kan worden, en dan kan je er niet goed meer mee werken. Je kan er straks voor kiezen om steeds een beetje klei van je beeld af te halen, net als een steenhouwer. Of je kiest ervoor om losse onderdelen te maken en die aan elkaar te kleien. Wie heeft er tot nu toe vragen? Beantwoorden daar waar nodig
Instructie
Ik pak een stuk hardboard en een stuk klei. Ik heb hier een paar potten met gereedschap staan, ik zal even voordoen wat je daar mee kan doen. Ik leg het hardboardje op tafel en leg de klei in het midden. Ik vertel erbij dat je de klei goed in het midden moet leggen omdat je dan de meeste ruimte hebt om mee te werken. Ik laat zien hoe het mes en de spatels werken en doe je ze kan gebruiken. Met het mes kun je lastig te bereiken plekken weghalen en met de spatel kan ik die plekken vormen en gladmaken. Ik doe het even voor en loop er een rondje mee door de klas zodat iedereen het goed kan zien. Ik zet op het digibord een aantal voorbeelden van makkelijke wachtende houdingen en vraag de klas of iedereen al een idee heeft over welke houding ze willen maken en vertel dat als ze niets weten 1 van de voorbeelden kunnen kiezen. Ik vraag of er nog vragen zijn. Als alles beantwoord is mogen de leerlingen in een rij gaan staan en de materialen pakken.
Begeleiding/Uitvoering
Terwijl de leerlingen de spullen pakken en aan de slag gaan kijk ik eerst rond of alle leerlingen de klei goed in het midden hebben liggen en elk groepje de materialen heeft en of iedereen is begonnen. Als er leerlingen zijn die moeite hebben met een begin te maken loop ik daar eerst heen om te vragen waar ze moeite mee hebben en help ze daarmee. Daarna ga ik langs te tafels lopen om tips/complimenten te geven. Terwijl ik rondloop let ik op de processen van de leerlingen en op de motoriek. Een half uur voordat de tijd om is vertel ik dat ze nog 30 min hebben. Ik blijf rondjes lopen en helpen tot 5 minuten voor het einde, dan vertel ik de leerlingen dat ze nog 5 minuten hebben om alles af te ronden ( met 5 minuten uitloop). Terwijl de leerlingen bezig zijn stel ik af en toe vragen als: Hoe kun je verveling uitbeelden? Hoe ziet een houding in rust eruit? Wat is het verschil met een actieve houding? Ik denk dat de leerlingen de meeste moeite zullen hebben met het vormgeven van het lichaam in de juiste proporties en houdingen. De minimum eisen zijn dat de figuren hebben: voeten, benen, torso, armen, handen, nek en een hoofd.
Terwijl de leerlingen de spullen pakken en aan de slag gaan kijk ik eerst rond of alle leerlingen de klei goed in het midden hebben liggen en elk groepje de materialen heeft en of iedereen is begonnen. Als er leerlingen zijn die moeite hebben met een begin te maken loop ik daar eerst heen om te vragen waar ze moeite mee hebben en help ze daarmee. Daarna ga ik langs te tafels lopen om tips/complimenten te geven. Terwijl ik rondloop let ik op de processen van de leerlingen en op de motoriek. Een half uur voordat de tijd om is vertel ik dat ze nog 30 min hebben. Ik blijf rondjes lopen en helpen tot 5 minuten voor het einde, dan vertel ik de leerlingen dat ze nog 5 minuten hebben om alles af te ronden ( met 5 minuten uitloop). Terwijl de leerlingen bezig zijn stel ik af en toe vragen als: Hoe kun je verveling uitbeelden? Hoe ziet een houding in rust eruit? Wat is het verschil met een actieve houding? Ik denk dat de leerlingen de meeste moeite zullen hebben met het vormgeven van het lichaam in de juiste proporties en houdingen. De minimum eisen zijn dat de figuren hebben: voeten, benen, torso, armen, handen, nek en een hoofd.
Nabeschouwing
Als iedereen klaar is mogen ze hun werkstuk bij mijn tafel neer zetten en de materialen schoonmaken/opruimen. Na de pauze gaan we het werk evalueren.
Na de pauze zitten de leerlingen weer op hun plek en vraag ik de klas hoe ze het vonden om met de chamotteklei te werken. Welke techniek hebben ze gebruikt? vingers voor het klei eraf halen, vingers voor de losse onderdelen aan elkaar kleien en vingers voor de leerlingen die allebei de technieken hebben gebruikt. Welke verschillen zijn er tussen de werken?Ik vraag de klas welk beeld naar hun mening het duidelijkst lijkt op iemand die aan het wachten is en waarom. Daarna vraag ik hoe ze hun eigen werk vinden, wat is er goed gelukt en met lukte er minder goed? Ik benoem een paar ideeën/technieken die ik goed vond van de leerlingen. Daarna vraag ik de leerlingen om 2 werkstukken aan te wijzen die het meeste van elkaar verschillen. Daarna 2 werken die samen aan het wachten zouden kunnen zijn. Zijn er werken die iets van deze onderdelen missen? (voeten, benen, torso, armen, handen, nek of hoofd) Komt dat omdat deze onderdelen aan het zicht onttrokken zijn? Als laatste geef ik iedereen complimenten op hun werk en zeg dat ze goed hun best hebben gedaan.
Evaluatie
Ik vertel kort welke beelden voldoen aan het hebben van alle lichaamsdelen ( indien de delen verstopt zitten is dit ook goed. Bijvoorbeeld handen die tussen de oksels worden gehouden) Welke beelden origineel en zelf bedacht zijn ( niet mijn voorbeelden gebruikt, niet een andere leerling zijn werk afgekeken). Ik eindig met de beelden die duidelijk de wachtende houding hebben. Bij de werken waar dat niet duidelijk is vertel ik wat er anders gedaan had kunnen worden om dit wel voor elkaar te krijgen.
Evaluatie
Ik vertel kort welke beelden voldoen aan het hebben van alle lichaamsdelen ( indien de delen verstopt zitten is dit ook goed. Bijvoorbeeld handen die tussen de oksels worden gehouden) Welke beelden origineel en zelf bedacht zijn ( niet mijn voorbeelden gebruikt, niet een andere leerling zijn werk afgekeken). Ik eindig met de beelden die duidelijk de wachtende houding hebben. Bij de werken waar dat niet duidelijk is vertel ik wat er anders gedaan had kunnen worden om dit wel voor elkaar te krijgen.
Bronvermelding
Jakobse, A., & Onna, J. van (2013). Laat maar zien. Groningen: Noordhoff Uitgevers.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten